De eerste auto’s in Edegem

In 1895 komt toekomstig burgemeester Clément Segers in Edegem wonen. Hij is een moderne jongeman en is er vroeg bij als het over auto’s gaat: hij bezit de eerste auto in Edegem, met nummerplaat 55.

De eerste auto “Vincke”

In 1894 wordt in Mechelen, in een werkplaats voor treinen, de eerste auto uit België gemaakt: de Vincke. Het bedrijf werd in 1876 opgericht door Nicolas Vincke, die tot 1905 het hoofd boven water kan houden, daarna stopt de autoproductie.

De familie Segers in de “Vincke”.

We zien hier Clément met zijn echtgenote en twee kinderen, Louis (geboren februari 1896)  en Marie (geboren februari 1897).  Het zoontje Louis rechts de foto lijkt niet meer dan drie jaar oud, het dochtertje staat en is dus meer dan één jaar oud. De foto dateert dus van midden 1898 of anders van eind 1899, na de geboorte van zoon Clément in april 1899. Het model van de wagen kan dus een “Vincke Kaleshe” uit 1895 zijn, het lijkt enigszins op een “Vincke Victoria” uit 1898 maar dan met kleine voorwielen.

Dit is dus de eerste auto in Edegem. Volgens de “Annuaire Général de l’Automobilisme Belge” uit 1907 (uitgegeven door de verzekeraar Alfred Monet te Brussel) was de enige andere inwoner van Edegem met een auto de heer Paul de Puydt, scheikundig ingenieur, die in de Boerenlegerstraat 21 woonde, maar die heeft een nummerplaat 6877. (In 1907 is Segers al aan zijn vierde auto!)

Uittreksel uit Annuaire Général de l’Automobilisme Belge van 1907.

Op 10 oktober 1900 verkoopt Segers de wagen met nummerplaat 55. Op het bewijsje is vermeld dat het een “Vincke” is. Kennelijk blijft de nummerplaat op de wagen bij verkoop, maar is ze wel verbonden aan de persoon, want de koper neemt alle verantwoordelijkheid voor het gebruik van de nummerplaat op zich.

Auto 2 en 3: “de Dion-Bouton”

De “De Dion-Bouton vis-à-vis” na 1900

Een “de Dion-Bouton vis-à-vis” was de tweede wagen (stond zo achteraan deze foto geschreven). Op de foto van een uitstap naar Rijkevorsel met deze auto zit aan het stuur Clément Segers, naast hem zijn echtgenote en over hem Louis Hellemans, de gemeentesecretaris van Edegem. De vierde passagier is onbekend. Wellicht was Segers toen al burgemeester.

De “de Dion-Bouton” 3.5-HP vis-à-vis, ook genoemd “La Petite Voiture” was een kleine vier­persoonswagen, waarin twee passagiers met hun rug naar de rijrichting zaten, zoals in een koets. Deze Franse “voiturette” kwam in 1899 op de markt. In 1902 waren er al 2970 exemplaren van gebouwd. De auto had een eencilinder benzinemotor achterin met een tweeversnellingsbak en de gepatenteerde “de Dion” achteras met differentieel. In de eerste modellen type D werd de koppeling bediend door een wiel en werd er gestuurd met een hendel, zoals ook op de foto’s te zien is.

Een de Dion-Bouton met voorste zitjes in de rijrichting. Nummerplaat 3409 (Bron: Michel Segers)

Bovenstaande foto met Segers op de treeplank, is genomen tijdens een familieuitstap. De nummerplaten (grote aan de rechterzijde en een kleine aan de linkerzijde) zijn identiek aan die van de eerste foto. De nummerplaat draagt het nummer “3409”. Merkwaardig is echter dat de voorste passagiers in de rijrichting zitten.

De Dion-Bouton vis à vis nummerplaat 1732 (Bron: Michel Segers)

De derde foto met zulke wagen is genomen bij paters (op de achterzijde suggereert men te Westmalle). Deze wagen heeft een gesloten zetel aan de voorzijde, en heeft een nummerplaat “1732”. Waarschijnlijk had Segers twee “De Dion-Bouton” , aangezien de Germain als wagen vier bestempeld wordt.

Vierde auto “Germain”

De vierde wagen, “Germain” met Clément Segers en Fernand Verougstraten (bron: Michel Segers)

Bij deze foto staat op de achterzijde dat het de vierde wagen is. Het merk “Germain” is van Waalse oorsprong, en komt voort uit de “Société anonyme des ateliers Germain” te Monceau-sur-Sambre. Er werden zowel auto’s als spoorwegmateriaal gebouwd. Voor 1903 werkte men in licentie van Daimler en Panhard, daarna had men een eigen product.

Auto nummer 5: Hermes HISA

Rijbewijs dd. 9 juli 1910. (Bron: Michel Segers)

In 1910 is er een attest dat de nummerplaat 10373 toebehoort aan de heer Clément Segers. Hij woont dan in de “Contichsche straat 31” te Edegem. De familie bewaart nog een attest van april 1914 dat toont dat Segers autobelasting betaalde voor een Hermes H.I.S.A. uit 1908 met nummerplaat 10373, een donkerblauwe half-limousine met zes plaatsen en een viercilindermotor (diameter 100 mm, slaglengte 120 mm, dus een 3,77 liter motor, met maximum toerental van 1000 omwentelingen per minuut) met 20 pk vermogen. Daarvan is geen afbeelding. Als adres geeft hij op “Dorpstraat 26” te Edegem.

Bronnen

De eerste bron voor dit artikel is de heer Michel Segers, die de foto’s en documenten over zijn grootvader aan het Historisch Archief bezorgde. Verder bronnen:

Edegem, 13 juni 2022
Erik Laforce





De school stond op het kerkhof

Op het kerkhof 1611 – 1845

In 1611 wordt op het kerkhof een gemeentelijk schoolgebouwtje gezet tegen de Sint-Antoniuskerk aan. Voor die tijd gaf de koster-schoolmeester meestal les bij hem thuis. In 1613 telt men 50 leerlingen. Het schoolgebouwtje wordt dikwijls hersteld, in 1626 wordt het beschadigd door de Kroaten. In 1720 krijgt het een nieuw dak met 2500 schalies. Rond 1750 blijken er zoveel kinderen naar school te komen dat het gebouwtje te klein wordt. Rond 1766 wordt het schooltje wat vergroot.

In de Franse tijd (1796-1815) verandert er niet veel, in de Nederlandse tijd (1815-1830) worden er verbeteringen aan het schoolgebouw uitgevoerd. In de zes zomermaanden kwamen de kinderen niet naar school: ze werkten mee op de boerderij. In 1828 waren er in de winter 112 kinderen op school.

In 1830 wordt Frans De Laet schoolmeester met twee klassen. De Laet  klaagt over de ligging van zijn schoolgebouw op het kerkhof.  De kinderen die op het kerkhof spelen verstoren de rust en dit is een probleem voor gemeentebestuur en pastoor. Bovendien is de school veel te klein: het gebouwtje is 7 m op 7 m groot, te klein voor de meer dan 100 kinderen. Men denkt er aan een gebouw op te richten voor de school en gemeentehuis en woning van de onderwijzer. Maar tientallen jaren gebeurt er niets.

Door de verbreding van de kerk met smalle zijbeuken tussen 1850 en 1860 en de vergroting ervan in 1888 is er nu geen spoor meer waar dit schooltje juist lag.

Hoek Boerenlegerstraat en Strijdersstraat

Plan verbouwing De Laet in 1845 (naar Kadaster, mutatieschetsen 1846)

In 1845 kreeg onderwijzer en gemeenteontvanger Frans De Laet toestemming om op zijn eigen grond (percelen C 328, 329 en 330) een huis en school te bouwen, zowat 140 m² groot. (Nu BNP_Fortis bank) In dat nieuwe gebouw mocht hij dan in november 1845 de gemeenteschool houden. Schrijftafels, banken en werden voorzien door de gemeente.

Even bij meester Van Ael thuis 1855-1860

In 1855 neemt De Laet ontslag, zijn opvolger is meester Gommaar Van Ael. De Laet wil de school uit zijn huis en dus moet Van Ael bij hem thuis school houden. Zodoende zijn er in 1857 weer plannen voor een gemeentehuis, gecombineerd met school, want de woning van schoolmeester Van Ael is veel te klein om dienst als schoollokaal te blijven doen. Men kijkt eerst naar de oude pastorij in de Terelststraat (Hof ter Elst), maar die is te bouwvallig hiervoor.

Dorpschen Steenweg (Hovestraat) 1860-1900

Daarom koopt de gemeente het perceel C 336i in 1858, (400 m² volgens de kadastrale legger) aan de zuidzijde van de Dorpschen Steenweg om school en raadhuis op te richten. De school komt er maar als gemeentehuis wordt het gebouw (7 m x 14 m)  niet gebruikt. In mei 1861 koopt men nieuwe schoolmeubelen. De school lag waar nu het oud gemeentehuis staat.

Zo zag het huidige gemeenteplein er uit tussen 1865 en 1870 (Popp)
Gemeenteschool tussen 1860 en 1900, aan Hovestraat

Even terzijde: de vrije katholieke jongensschool.
Op 1 juli 1879 wordt de nieuwe schoolwet van de liberale regering gestemd, waarbij elke gemeente verplicht is ten minste één officiële, onzijdige school te bezitten, voor jongens en meisjes. De katholieke reactie daarop is de start van een “vrije katholieke jongensschool” op 1 oktober 1879 met onderwijzer-koster J.L. Hellemans,  in een huis met trapgeveltje van de baron in de Molenstraat (nu Drie Eikenstraat 59). Na de verkiezingen van 1984 wordt deze schoolwet teruggedraaid en de vrije school kan gesloten worden. Hellemans wordt dan gemeentesecretaris.

Kontichstraat 1900-1972

In 1898 blijkt de school na veertig jaar te klein en vervallen te zijn. De gemeente koopt een grond aan de Kontichstraat (C344k) van 1525 m² en bouwt er een ommuurde school. Het hoofdgebouw is 7,8 m breed en 33,9 m lang. Het schooltje uit 1858 wordt in 1907 afgebroken.

Plan van de nieuwe school (uit kadasterschetsen)

De school heeft eindelijk haar definitieve plaats. Nochtans heeft het gebouw op dat ogenblik alleen maar een benedenverdieping. Aan de deur staat Meester Richard Goossens, dus dateert de foto van voor 1916.

De gemeentelijke jongensschool voor 1916. Links de Kontichstraat.

In 1922 wordt een tweede verdieping gebouwd, 5 extra klassen. De plaveien op de speelplaats komen er in 1927. In 1937 worden de kachels vervangen door centrale verwarming.

1923 of 1926: Driejaarlijkse tentoonstelling van de Tuin- en Landbouwmaatschappij op de speelplaats (zonder plaveien). Rechts het schoolgebouw met verdieping.
Tentoonstelling in 1929. Plaveien op de speelplaats, maar nog geen lokalen links. Naast de school een tuin, daarachter de huizen in de Trooststraat.
Ontwerp bijgebouwen uit 1931. Op de foto uit 1932 zien we ze iets anders uitgevoerd.
1932: Tentoonstelling van de Tuin- en Landbouwmaatschappij op de speelplaats. Achteraan de poort en de huisjes op de Kontichstraat. Merk de burelen voor de directeur en het medisch toezicht links.

Een zijsprong: de tweede gemeenteschool in de Drie Eikenstraat
Wegens de groeiende schoolbevolking wordt reeds in 1931 een school op Molenveld gepland aan de Drie Eikenstraat. Ze wordt gebouwd in 1936, in 1937 beginnen de lessen, met matig succes: in 1939 slechts 72 leerlingen. Na WO2 moet men stoppen wegens te weinig belangstelling. De gebouwen worden sinds 1965 gebruikt voor de Sint-Jozefparochie. (De Schrans)

In de foto uit de film van de verkeerstelling van 1957 zie je links herberg “Oud Edegem” in aanbouw, rechts zie je de muur en de poort van de jongensschool. Rechts van “Oud Edegem” ligt de Kapel, de huizen tussen kapel en schoolmuur zijn afgebroken als het administratief centrum wordt gebouwd.

Beeld uit 1957 met rechts de schoolmuur en de schoolpoort.

Uitbreiding Andreas Vesalius 1973-1976

Op 5 juli 1973 keurt de gemeenteraad een voorontwerp tot uitbreiding van de Gemeenteschool goed. In november het definitief ontwerp, met een turnzaal, vijf klassen, alles gebouwd achter de kapel van O.L.V-Troost-in-Nood. Eind 1974 worden ook vier klasjes in prefab besteld, omdat de nood aan klassen zo acuut was en in april 1975 zijn de eerste twee ervan klaar. Minister Tindemans legt de eerste steen voor de de nieuwe school op 21 juni 1975. In april 1976 is de nieuwe vleugel klaar. Daarna wordt ook nog het pleintje aan de straatkant en een basketterrein aangelegd. Al deze onderdelen zijn goed te zien op onderstaande luchtfoto.

Luchtfoto rond 1980

Uitbreiding 1987-1990

Door de goede naam van de school komen er steeds meer leerlingen, dus moet er een nieuwe vleugel komen, met daarin vier klassen, 2 polyvalente ruimten, bergingen en sanitair. Daarvoor moet het basketveld wijken.

De nieuwe vleugel uit 1990

Verbouwingen 1993-1995

Het oude oorspronkelijke schoolgebouw uit 1900/1922 is versleten en moet vervangen worden. Het wordt eind 1993 afgebroken en er komt een nieuwe vleugel met eetzaal, klassen, kantoren, computer en mediaklas.

Afbraak oude schoolgebouw eind 1993

En dit is het resultaat:

De nieuwe vleugel met eetzaal.

Uitbreiding met kleuterschool 2015-2017

Omdat de school uit zijn voegen barst sinds de start van de kleuterschool is weer eens een uitbreiding nodig vanaf 2009. Gronden in de Boerenlegerstraat en de schietstand werden aangekocht. Aan de Boerenlegerstraat komt een nieuwe kleuterschool met 8 klassen, docentenlokaal, polyvalente turnzaal en refter. Aansluitend is er een overdekte en een open speelplaats voorzien voor de kleuters. Aan de schietstand wordt de lagere school uitgebreid met enkele klassen en een bijkomende speelplaats. Zo kunnen de prefab klassen uit 1976 afgebroken worden.
En dat is het slot van een 600 jaar lang verhaal van bouwen en verbouwen.

Zo ziet in 2018 de lagere school er uit: links de uitbreiding, fietsenstalling, extra speelplaats, rechts zijn de prefab klassen weg. Bovenaan de kleuterschool. (bron: Google Earth)

Bronnen

De meeste informatie komt uit de “Geschiedenis van Edegem” door prof. R. Van Passen uit 1973. Voor de naoorlogse periode werd geput uit het Gemeentelijk Informatieblad. Verder werden afbeeldingen uit het HAEE gebruikt en uit het archief van de gemeente Edegem bij het Rijksarchief Antwerpen.

Erik Laforce, Edegem 2 juni 2022

De zaak Brunnabend (revisited)

De heer Brunnabend daagt de gemeente Edegem voor een Duitse rechtbank en eist met succes schadevergoeding wegens de plundering van zijn huis in de Patronaatstraat in 1914. Na de oorlog start de gemeente Edegem een rechtszaak om de betaalde sommen terug te vorderen. In de “Geschiedenis van Edegem” van professor R. Van Passen en in het eerste boek van A. Mens en A. Van Elshocht over de Eerste Wereldoorlog in Edegem [1] wordt over deze “zaak Brunnabend” geschreven, maar er bleven wat losse eindjes liggen.

Deze ”zaak” wordt hier kort hernomen en gesitueerd, het volledige artikel met alle details en referenties staat online bij het Historisch Archief van Erfgoed Edegem.

De familie Brunnabend in Antwerpen

In Antwerpen zijn in het begin van de twintigste eeuw vele Duitse inwoners, veelal middenklasse of hogere burgerij, dikwijls betrokken bij handel en horeca. Deze grote Duitse gemeenschap zal uit Antwerpen verdwijnen door de uitwijzing in 1918.

Vreemdelingenpolitie Antwerpen Klapper 1886-1900 A tot C

In 1894 komt een familie Brunnabend uit Barmen in Duitsland (nu is dit Wuppertal) naar Antwerpen (Sint-Jozefstraat) wonen. Vader Carl Wilhelm en echtgenote Lydia Beckman zijn renteniers, hun kinderen Karl, Arthur en Lydia zijn resp. 15, 13 en 10 jaar oud.

In 1900 trouwt zoon Karl met Elisabeth Maes uit Hove. Notaris Jan Eduard van Broeckhoven uit Mortsel is getuige. De familie Brunnabend woont dan in Mortsel, de vader is eigenaar van Villa Mathilde op de Mechelsesteenweg en van twee huizen op de hoek van de Statielei en Pieter Reypenslei. De moeder is al in 1896 in Barmen overleden. Karl heeft aan de verplichtingen van de militiewet voldaan (is uitgeloot).

Zoon Arthur is dienstplichtige van de klasse 1901. In 1902 trouwt dochter Lydia met de Duitser Franz Simon.

Gasthuisstraat of Patronaatstraat 1 (in rood)

In 1905 koopt vader Carl Wilhelm een huis in de Gasthuisstraat 1 (Patronaatstraat) te Edegem. Als hij in 1910 overlijdt, worden de eigendommen tussen de drie kinderen verdeeld.

Arthur in Edegem

In april 1911 verkopen Karl en Lydia hun erfdeel aan Arthur. Die wordt dan de eigenaar van het huis in de Patronaatstraat. Arthur trouwt op april 1911 in Vremde met de Duitse Hedwig TEPPER, dochter van de eigenaar van Hotel Westphalia op het Astridplein te Antwerpen. Zij komen in Edegem wonen.

De Eerste Wereldoorlog

Op 28 juli 1914 begint de Eerste Wereldoorlog. Op 4 augustus trekt het Duitse leger België binnen. De gouverneur van Antwerpen geeft op 6 augustus de gemeenten de opdracht alle inwoners met Duitse identiteit vóór middernacht uit de vesting Antwerpen te verwijderen. Het is echter niet zeker of de Brunnabend ’s nog de Duitse nationaliteit hebben op dat ogenblik: in 1914 zijn ze 10 jaar afwezig uit Duitsland. Bij de geboorteakten en huwelijksakten wordt nergens een nationaliteit vermeld. Zo hebben de echtgenote van Karl én zijn kinderen de Belgische nationaliteit, dus werd hij kennelijk bij zijn huwelijk niet als Duitser beschouwd.

Het gezin Brunnabend-Maes zal op 24 september 1914 in Woensdrecht (NL) belanden en emigreert daarna naar Amerika. Franz Simon woont dan al in Amerika, met achterlating van zijn echtgenote Lydia.

Spion Arthur

In Edegem wordt Arthur Brunnabend als spion opgepakt, zoals hij zelf in Barmen vertelt in november 1914 [2] (vertaald uit het Duits):

 Ik ben geboren op 20 december 1881 in Barmen en woon sinds 1894 in België. Sinds 3 jaar woon ik in Edegem bij Antwerpen en bezit daar in de Gasthuisstraat Nr. 1 een woning, namelijk 1 huis, bestaande uit 8 kamers, daaraan verbonden een remise en paardenstal. Ik had een vastgoedbedrijf in Edegem. Samen met mijn vrouw werd ik 8 dagen na het uitbreken van de oorlog als spion gearresteerd door de Gendarmerie. Ik mag niet klagen over de behandeling. Ik kende persoonlijk de burgemeester van Edegem en de rijkswachters. Misschien om deze reden werden we na één dag van arrestatie vrijgelaten. Ik keerde toen met mijn vrouw via Nederland terug naar Duitsland en kwam op 19 augustus in Barmen aan…

Ik ben niet ingeschreven in het register van het Duitse consulaat. Sinds 1894 bezoek ik Barmen elk jaar een paar dagen.[3] – Toen we in Edegem werden gearresteerd, hadden we geen tijd om iets mee te nemen; zelfs na onze vrijlating mochten we niet terugkeren naar onze woonst. Integendeel, we kregen de instructie om onmiddellijk naar Nederland te reizen.

Verder vertelt hij dat huis en meubelen achterliet en dat hij gezien heeft hoe er elders geplunderd werd. “Dus welke schade ik loop, kan ik voorlopig niet aangeven. Uit voorzorg meld ik de schade die ik zou moeten lijden.”

Veroordeling Edegem

Een tijd later wordt een zaak aangespannen bij een Duits “Schiedsgericht”, dat op 14 januari 1916 de gemeente veroordeelt tot een schadevergoeding van 8000 frank en 480 frank proceskosten. Theodoor Hellemans, procuratiedrager (eigenaar van Villa Hilda), en Gregoor Van Put, landbouwer, lenen resp. 5000 en 4000 frank aan de armlastige gemeente voor deze kosten.

Na WO1: sekwester Brunnabend.

In 1918 besluit de Belgische regering dat iedereen die ooit de Duitse nationaliteit had, als Duitser beschouwd zal worden, met als gevolg dat hun eigendommen onder sekwester worden geplaatst en zij het land moeten verlaten. De gemeente Edegem profiteert daarvan om de schadevergoeding en kosten terug te eisen. Eind 1918 betekent een deurwaarder (door een advertentie in “La Métropole”) het bevel aan Arthur Brunnabend om zich te melden bij het gerecht in Antwerpen. Hij laat ook beslag leggen op de woning en op de meubelen die bij schrijnwerker Torfs in bewaring zijn. In maart 1919 eist de gemeente de terugbetaling. De woning wordt in december 1919 openbaar verkocht voor 14950 frank. De koper is een bekende naam in Edegem: Raymond De Groodt, die in 1950 een geschiedenis van Edegem publiceert.  

Gazet van Antwerpen 14 december 1919

Slot

In 1921 vinden we in de gemeenterekening van Edegem de vermelding “9000 frank teruggaaf boet Brunabend”. Dus Edegem heeft het gehaald.

Van Arthur Brunnabend-Tepper is geen spoor te vinden na 1918.
Broer Karl, in de VSA gekend als “Charles” zal in Montana en later in Washington DC wonen, waar hij in 1959 overlijdt. Zuster Lydia komt in 1928 in de VSA aan, zij woont ook in Washington DC en overlijdt in Maryland in 1972.

Referenties en bronnen

[1] André Mens & André van Elshocht. Bezetten, vereren en fusilleren. Deel 1: Edegem en de Groote Oorlog. Edegem 2016. Pagina 14 en bijlage 3.
[2]  Stadtarchiv Wuppertal. Zentrum für Stadtgeschichte und Industriekultur. “U 001 Schadenersatzansprüche Geflüchteter aus Belgien, Frankreich, England, Russland und Ostpreußen durch den Ersten Weltkrieg und Nachforschungen nach Vermissten (1914-1918)”.
[3] Op die manier geeft hij aan dat hij nog steeds de Duitse nationaliteit heeft gehouden.


Edegem, 10 februari 2022
Erik Laforce

Barakken in Edegem

De barakken van het Koning Albertfonds (KAF)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in het oorlogsgebied grote verwoestingen aangericht, dikwijls is de bevolking er verdreven. Na de oorlog moeten de bewoners kunnen terugkeren, maar dat kan niet zonder de huisvesting te herstellen.  In 1916 werd met dat doel het Koning Albertfonds (KAF) opgericht. Maar tegen 1918 was daar nog niets van operationeel en gefinancierd. Er was een ook groot tekort aan transportmiddelen en bouwmaterialen, met name hout.

Twee modellen van KAF-barakken. (Bron: barak aan voet IJzertoren, foto EL)

Ingenieur F. Zanen en architect Raymond Moenaert hadden demonteerbare houten woningen ontworpen, een soort bouwpakketten, in vier maten: 4 m x 4 m, 6 m x 6 m, 6m x 9 m en 9 m x 9 m, eventueel met een aanleunend schuurtje. De wanden bestaan uit verschillende geprefabriceerde kaders van 150 cm breedte, al dan niet met een deur of een smal of breed venster. Ook de zijkanten van het dak bestaan uit standaard kaders. De wanden werden op een vooraf gemetselde fundering geplaatst. Zo konden geschoolde werklui in één dag een barak bouwen.

Dwarsdoorsnede van KAP barak (Bron: barak aan voet IJzertoren, foto EL)

Er werd hout van militaire barakken of Canadees hout gebruikt, zodat men sprak over Canadese barakken. De bedoeling was 2000 van deze tijdelijke woningen klaar te hebben voor november 1919, maar men kwam nog niet aan de helft.

Woningnood in Edegem

In 1923 vraagt de gemeente Edegem bij het KAF zes barakken aan. Eerst was het de bedoeling die te plaatsen op de redoute 9 (zie blauwe zone op kruispunt van Adrien de Gerlachestraat – Omheiningslei – Justus Lipsiusstraat), maar die plaats was volgens de inspecteur van het KAF niet geschikt. De barakken worden dan in 1924 geplaatst op een terrein van het Edegems Bureel van Weldadigheid (voorloper van COO en OCMW), aan de oostelijke zijde van huidige Kladdenbergstraat (in rood aangegeven op het plan uit 1927).

Op de foto van de barakken en op de kadasterschets nummer 21 uit 1924 is te zien dat ze van het type 6 m op 9 m zijn, uitgebreid met een aangebouwd schuurtje van 3 m op 3 m en voorzien van een buitentoilet.

Foto vanaf de Drie Eikenstraat van de houten woningen. (Bron HAEE)

In 1926 werd het Koning Albertfonds opgedoekt en men vroeg de gemeentebesturen de woningen op hun grondgebied te kopen (voor 30.000 frank per stuk). Deden ze dat niet, dan werden de bewoners met uitdrijving bedreigd. In 1928 kochten een aantal gemeenten deze barakken voor een veel lager bedrag, Edegem deed dit in juni 1929 voor 40.000 frank.

De houten woningen blijven lang staan. In 1938 schrijft de eigenaar van Hof ter Elst, de heer Edmond Brasseur, aan het gemeentebestuur dat hij de afloop van het huishoudelijke water van de houten huisjes (langs de rand van zijn domein) als voorlopig beschouwd en dat hij omwille van de hygiëne niet wenst dat dit een erfdienstbaarheid zou worden. In de loop van 1942 werden de barakken afgebroken.

Barak te bezichtigen

Gereconstrueerde barak aan de voet van de IJzertoren te Diksmuide (Foto: EL)

Als men nu zo’n huisje wil zien, moet men in Diksmuide zijn. Daar staat aan de voet van de IJzertoren een barak van 6m op 6 m. Ze werd gebouwd door de leerlingen van het VTI te Diksmuide met het materiaal van drie originele barakken, de ramen werden in Canadese Oregon nagemaakt, zoals in de oude barakken. De foto van de soorten barakken en de dwarsdoorsnede komen uit de documentatie aan de muren van dit huisje. 

Bronnen
  • Vernimme, Nathalie. Omgaan Met Oorlogserfgoed. Vioe Handleiding 2. Brussel, 2010
  • Decoodt Hannelore. Beschermingsdossier: Houten noodwoning van het Koning Albertfonds, Zemst (Eppegem), Schoondonkstraat 5 – Monument. 2017
  • GOBYN R. 1985: De woningnood en het probleem van de voorlopige huisvesting in België na de eerste wereldoorlog. In: SMETS M. (red.), Resurgam. De Belgische wederopbouw na 1914. Tentoonstelling in Passage 44 Brussel van 27 maart tot 30 juni 1985, Brussel (pagina’s 169-187).
  • Het Nieuwsblad van 3 maart 2006.
  • Van Passen, R. Geschiedenis van Edegem. Edegem: 1974

Edegem, 20 januari 2022
Erik Laforce

Raadsel op het Verbindingsplein.

Het Verbindingsplein is een heel kort stukje van wat vroeger de Terelsstraat was, gelegen tussen de Leonardo da Vincilaan en de Verbindingsstraat. Omdat de bocht van de Oude Terelsstraat en het Verbindingsplein nogal onduidelijk is heeft men er een banaanvormige verkeersgeleider aangelegd. Er zijn twee licht verhoogde stukjes met kasseien, het doorrijdbare middenstuk is met rode klinkers gevuld.

Hoewel ze er al jaren liggen, op 30 m van mijn voordeur, kreeg ik vanmorgen pas in het oog dat de kasseien van deze berm geen gewone kasseien zijn. Zeker een derde ervan heeft een inscriptie “A LIFE” ingeslepen.

Detail van een kassei
De kasseien van de verkeersgeleiding

Van waar komen die kasseien? Wie houdt zich ermee bezig in straatstenen letters te graveren? Wat is de betekenis van “A LIFE”? Waren dit kasseien van een afgebroken kunstproject?

Uit de luchtfoto’s van Google Earth blijkt dat de verkeersgeleiding tussen 2004 en 2007 is aangelegd.

Juni 2004
april 2007

Dus vragen we uitleg aan de betrokken schepenen van openbare werken.

Oud-schepen van openbare werken Wim Verrelst (2007 – 2012) antwoordt dat dit van vóór zijn tijd is.

Zijn voorganger Joost Goris (1995 – 2006) kan er zich niets van herinneren. Hij vraagt zich af of de aannemer uit de gemeentelijke voorraad kasseien geput heeft of uit zijn eigen voorraad.

Bij de technische dienst van de gemeente weet een oudere medewerker dat deze verkeersgeleiding werd aangelegd door de firma Marcel Nijs. Meer info heeft men niet.

Marcel Nijs is in 2015 gefuseerd met DCA nv in Beerse. Daarom vroeg ik dit bedrijf of er een oudgediende van Nijs soms iets over deze zaak wist. Volgens Kris Grietens, hoofd van de afdeling “Uitvoering Infra” van DCA nv is er bij hen niets over geweten.

Op internet is evenmin iets te vinden. “A LIFE” is niet de meest handige zoekterm, ook niet in combinatie met “kunst/art”, “kassei/pavé/cobblestone” en dergelijke.

Dus al mijn hoop is gevestigd op U. Heeft U enige informatie, heeft U ook ergens een kassei met “A LIFE” gezien? Alle info is welkom op erfgoed@edegem.be.

Edegem, 31 oktober 2021
Erik Laforce