Archief Edegemse Concerten

Sinds kort berust het archief van het Comité van de Edegemse Concerten bij het Historisch Archief waarvoor dank aan Dirk LOGGHE.

Op 12 april 1968 werd door het gemeentebestuur in de Onze-Lieve-Vrouwe Basiliek een concert onder de noemer “Edegemse Concerten” georganiseerd, met onder meer het Stabat Mater van Pergolesi. Om dit voort te zetten werd in 1969 het “Comité Edegemse Concerten” boven de doopvont gehouden door Theo MERTENS, Bruno GODON, Frans DAELEMANS en nog enkele andere Edegemse muziekliefhebbers. Het allereerste concert vond plaats in de tuin van het kasteel Arendsnest.

Affiche van het eerste concert

ot 1983 organiseerde dit comité jaarlijks een avondconcert en een feeëriek basiliekconcert, vanaf 1983 waren er elk jaar drie aperitiefconcerten en drie avondconcerten.

Bezielers van dit comité waren gedurende vele jaren trompettist Theo MERTENS en zijn echtgenote pianiste Yvonne GAUTHIER, met steun van Frans DAELEMANS en echtgenote Césarine VAN ASSCHE, van graficus Bruno GODON met echtgenote Lieve DE JONGH en broer Ferre GODON. Theo organiseerde elf basiliekconcerten en een fortconcert en hij presenteerde jaren lang de aperitiefconcerten. André FRANS zorgde voor de praktische zaken. Naast Theo MERTENS slaagde ook professor piano Alan WEISS er in toptalenten naar de Edegemse aperitiefconcerten te brengen.

Dit alles gebeurde in samenwerking met de schepenen voor cultuur (Jan Bonjean, Christiane Steenhoudt-Bosteels, Koen Snyders, Frieda Laforce-Janssens, Kristien Bossuyt-Tak, Elke Tindemans, Koen Michiels ) en de opeenvolgende cultuurambtenaren (Alex De Rouck, Kristel Kussé, Ben Helsen, Wannes de Laender, Joke Smedts). In recente jaren werd met ORFEO samengewerkt.

In het archief vind je de affiches, flyers en programma’s van de concerten, soms ook biografieën van de muzikanten en een online overzichtslijst met alle concerten. Ook de deelnemers aan de aperitiefconcerten worden daarin (bijna) allemaal vernoemd. Misschien was het voor jou ook een eerste optreden!!

Een noodlanding in Edegem.

Elsdonk, 1929

Ongeveer negentig jaar geleden stort een brandend vliegtuig van de maatschappij Sabena neer op de Elsdonk in Edegem. Het Historisch Archief van Erfgoed Edegem reconstrueert dit gebeuren aan de hand van enkele krantenartikelen.

Op zaterdag 19 oktober 1929 huurt de “Touring Club de Belgique” een passagiersvliegtuig met twaalf zitjes bij Sabena. In de krant noemt men het “één der grote passagiersvliegtuigen”. Het vliegtuig is een tweemotorige Handley-Page tweedekker model HP-18 W.8b met registratienummer OO-AHK, waarbij OO de internationale kenletters zijn voor België. Sabena heeft er vier in dienst. De tweekoppige bemanning bestaat uit de piloot en een boordwerktuigkundige. Piloot Marcel Hanson (°15 oktober 1900) is een “oude” rot in het vak. Hij begon zijn loopbaan bij de Belgische luchtmacht, deed ervaring op in het toenmalige Belgisch Congo, en was sinds kort overgestapt naar de burgerluchtvaart.

Op 10 juli 1924 werd de HP-18 W.8b ingeschreven op naam van Sabena. In 1929 kreeg het de registratie OO-AHK
Op 10 juli 1924 werd de HP-18 W.8b ingeschreven op naam van Sabena. In 1929 kreeg het de registratie OO-AHK

Luchtreizen boven België waren toen vrij populair. Ze plannen een vlucht in Vlaanderen vanuit de luchthaven van Haren (nog geen sprake van Melsbroek of Zaventem) over Aalst, Gent, Oostende, Antwerpen naar Deurne.

Cabine met rieten stoelen in de Handley-Page W8.b
Cabine met rieten stoelen in de Handley-Page W8.b

Het weer zit goed, de vlucht verloopt uitstekend en de passagiers genieten van het uitzicht. Een Handley-Page haalt een kruissnelheid van 140 km per uur op een kruishoogte van zo’n 3.300 meter. Tijdens de vlucht zal Hanson wel wat lager vliegen om zijn passagiers een mooier uitzicht te gunnen. Ze hebben hun reis bijna achter de rug, boven  Mortsel komt de vlieghaven al in zicht.

Dan gaat het mis.

De motor op de bakboordvleugel ontploft en schiet in brand. Het vuur breidt zich razendsnel uit over de houten vleugel. Het gaat zo snel dat de piloot vreest dat hij de luchthaven niet meer haalt. Hij besluit een noodlanding te maken. Zij vliegen nu boven de Elsdonk in de buurt van Schans 10 (waar nu de Ingenieur Haesaertslaan ligt). Elsdonk is daar in 1929 nog volledig landbouwgebied, de Prins Boudewijnlaan is nog niet aangelegd. De piloot heeft bijgevolg voldoende ruimte voor de noodlanding. De ruimte wel, maar geen tijd. Het vuur bedreigt de cockpit waar de piloot en de boordwerktuigkundige zitten. In tegenstelling van de passagiers die vrij comfortabel in de cabine tussen de vleugels zitten, zitten de piloot en de boordwerktuigkundige in een open cockpit helemaal vooraan. Naar de filosofie van toen moeten ze voor hun vlieggevoel “de wind langs hun oren horen fluiten”.
De piloot zet de propeller van de defecte motor in vaanstand (stil) en sluit de brandstofkraan die er naartoe leidt. Ter compensatie geeft hij de stuurboordmotor (rechts) meer vermogen. Ondertussen ziet hij een korenveld dat geschikt is om er te landen.

Ondertussen hebben de passagiers ook wel door dat er een ramp dreigt. Maar ze blijven kalm. Een van hen is priester Carlos Buysse, een aalmoezenier van de gevangenis van Gent. Hij geeft hen de absolutie als voorbereiding voor het ergste. Maar het ergste komt niet. De piloot zet het vliegtuig veilig aan de grond.

Het gestript en uitgebrand wrak in de Elsdonk (Foto Frans Van Humbeek).
Het gestript en uitgebrand wrak in de Elsdonk (Foto Frans Van Humbeek).

De passagiers stappen in alle kalmte uit het vliegtuig en wandelen tot op een veilige afstand van het brandend toestel. Ze zijn allemaal ongedeerd en komen er met de schrik vanaf. Ze gaan daarna via Antwerpen per trein terug naar Brussel.

Marcel Hanson (met sigaar) ondervraagd door de rijkswacht. (Foto Frans Van Humbeek).
Marcel Hanson (met sigaar) ondervraagd door de rijkswacht. (Foto Frans Van Humbeek).

Politie en rijkswacht worden verwittigd. Het ongeval lokt heel wat kijklustigen. Ramptoeristen avant la lettre. Ze komen niet alleen kijken. Ze zoeken souvenirs. Alles wat niet te vast was werd meegenomen, ook de koffer met gereedschap van de boord werktuigkundige. Na anderhalf uur komen drie rijkswachters uit Kontich de vaststellingen doen. Dat is rijkelijk te laat, want het wrak is dan al totaal gestript.

Er volgt een onderzoek naar de oorzaak van het ongeval. De piloot krijgt alle lof over zijn koelbloedig optreden. Alle passagiers zijn immers ongedeerd en de directie van Sabena gaat daar prat op. Enkele weken later organiseren de passagiers een feestje als dank voor hun koelbloedige piloot.

Pierre Hens, auteur.
Erik Laforce, editing & lay-out.

Bronnen:

Mollige Els

Wilrijk heeft een reus. De Ferre. De naam verwijst naar de zanger-gitarist Ferre Grignard. Hij verwierf bekendheid met de song “Ring Ring, I’ve got to Sing”. In Wilrijk wil men elke wijk een reus geven. Die van het Valaar is de Ferre.
Op 30 maart 2019 tekende de ambtenaar van de burgerlijke stand Wilrijk de geboorteakte. Meter is Petra Verrept van de lokale Geitenstoetorganisatie en peter is Alain Grignard, de neef van de zanger. De reus werd gedoopt met water uit de Hollebeek. Deze beek ligt op de grens Hoboken-Wilrijk. Wat veel Edegemnaars niet weten is dat Edegem, veertig jaar geleden, ook een reuzin rijk was.

mollige_els_1
1. De reus Ferre. (foto Pierre Hens).

De wijk Buizegem pronkte al van oudsher met het folkloristische “Meneerke van Buizegem”. In navolging daarvan besloten enkele leden van het Edegemse Feestcomité om de wijken Molenveld en Elsdonk een tegenhangster te bezorgen. “Meneerke” is een schrale kwaadaardige kerel die enkel aan het eigen belang denkt. Zijn tegenhangster moest een joviale gezellige vrouw zijn. Goedlachs en volks van aard. Iedereen is welkom bij haar. Ze zou de samenwerking tussen de twee Edegemse wijken bevorderen, want 1978 was het Jaar van het Dorp. Jos Van Assche van het Gemeentelijk Feestcomité, contacteerde mevrouw Miette Crombecq, voorzitster van de Workshop Creatief Werk. Zij beloofde er werk van te maken. In september konden ‘papa’ Jos van Assche en ‘mama’ Miette Crombecq de ‘geboorte’ van hun reuzin aankondigen. Nu bracht dat wel een probleem met zich mee, want de kersverse ouders wilden er tevens ook peter en meter van zijn. Volgens het kerkelijk recht kon dat niet. Peter en meter staan immers in voor de opvoeding van hun petekind als de ouders dat zelf niet meer kunnen. Maar vermits Mollige Els geen menselijk wezen was kregen ze hiervoor dispensatie van pastoor Karel Heuten.

mollige_els_2
2. Affiche. Archief Jos Van Assche

De feestelijke doop van de reuzin was gepland op 7 oktober 1978. Aan de Sint-Jozefkerk werd ze feestelijk afgehaald door het gemeentebestuur en de Edegemse jeugd. Volgens de krant was het een bonte stoet, die werd voorafgegaan door de muziekkapel van de Edegemse Blauwvoetvendels o.l.v. J. Michielsen. De optocht eindigde aan de Heilige-Familiekerk op het Kerkplein. Daar werd de reuzin plechtig gedoopt.
De muziekkapel zette de blijde gebeurtenis in met marsmuziek. Daarna nam de heer Maes, voorzitter van het Gemeentelijk Feestcomité, het woord. Hij wees op de symbolische betekenis van de doopnaam “Mollige Els”. Els verwees zonder twijfel naar de Elsdonk, terwijl de eerste drie letters van het woord “Mollige” verwezen naar de eerste drie letters van “Molenveld”. Daarenboven moest de bijnaam haar goedaardig karakter in de verf zetten.

mollige_els_3
3. Mollige Els met haar peter en meter (Foto Jos van Assche).

Zoals hierboven al vermeld, aanvaardde Pastoor Karel Heuten Jos en Miette als peter en meter. Ze doopten Mollige Els met opspuitende schuimwijn. Bovendien wierpen ze ettelijke kilo’s doopcaramels uit over de honderden aanwezige kinderen. Burgemeester Jan van de Kerkhof omhelsde Mollige Els. In zijn toespraak feliciteerde hij peter en meter, en erkende hij de reuzin als inwoonster van Edegem. Hij wenste haar een lang leven toe en hoopte dat zij een goede verstandhouding zou hebben met Meneerke van Buizegem. Het Edegems Harmonieorkest o.l.v. Pierre Van Hecke speelde vervolgens een fel gesmaakt en kunstig doopconcert. De doop werd besloten met een denderend volksbal op het feestelijk verlicht Kerkplein.

Mollige Els werd gehuisvest in de gemeentelijke opslagplaats in de Heldenstraat. Daar kwijnde ze weg. Ze werd vergeten. Ze nam nooit deel aan een evenement of aan een optocht. We weten niet waarom de gemeente haar niet meer nodig had.
We breken hier een lans om een nieuwe reuzin te vervaardigen voor de wijken Elsdonk en Molenveld. Eventueel in samenwerking met Wilrijk, want de Geitenkoppen plannen al een reuzin voor de Elsdonk. Waar wachten we op?

Pierre Hens
30 september 2019

Dank aan André Mens voor het nalezen van de tekst.

De burgemeester van Edegem was een molenaar uit Kontich.

In 1874 kocht de landbouwer Carolus Schoesetters-Van Reeth, de “Vrijselmolen of Kontichse molen”. De molen stond waar nu n.v. Groeninghe is (Groeningelei 31). Bij zijn overlijden in 1902 liet hij deze molen na aan zijn weduwe en kinderen Alfons (1865), August (1867), Ludovicus (1870) en Elisabeth (1874).

De oudste zoon Alfons Pieter SCHOESETTERS (°Kontich, 14 januari 1865)  – onderwerp van deze blog-  was ook molenaar. Op 20 maart 1897 had hij de “Lijsterbolmolen” uit 1816 gekocht. Die stond waar nu de parking is van de Carrefour-market aan de Mechelsesteenweg 204 in Kontich.  Een maand later is de 32-jarige molenaar Alfons  in Edegem gehuwd met de even oude Maria Elisabeth HELLEMANS uit Edegem.

molen alfons
De Lijsterbolmolen

Alfons had zich wellicht laten uitkopen voor zijn deel van de Vrijselmolen, zijn broer August was daar de molenaar. (Op de postkaart bovenaan staat “moulin Aug. Schoesetters”). Hij zelf verkocht de Lijsterbolmolen op 22 augustus 1904. (De molen sneuvelde op 29 september 1914.)

portret schoesetters uit van passen
Alfons Schoesetters

In 1904 – hij was toen 39- vestigde deze molenaar zich  in de Boerenlegerstraat in Edegem. In 1913 kocht hij van de weduwe Gevers-Truyaerts een stuk grond aan de Dorpsstraat (sectie A 134g, nu Strijdersstraat) en liet er een huis op bouwen. Hij had toen geen beroep. Hij had in september 1914 wel een tweede verblijf in Antwerpen, Fransenstraat 26, wellicht voor een vlucht naar de stad bij de Duitse inval.

huis_schoesetters

Huis van Schoesetters in de Strijdersstraat (rode gevel)

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 in Edegem werd Alfons Schoesetters verkozen op de lijst van “Oud Edegem” alias “Tata”. Deze lijst was conservatief katholiek tot liberaal.  Schoesetters werd eerste schepen en waarnemend burgemeester op 14 juli 1921. Pas na veel druk aanvaarde hij op 16 november om burgemeester te worden. De benoeming werd op 18 december 1921 in het staatsblad gepubliceerd.

Bij zijn inhuldiging in januari 1922 kregen de schoolkinderen in Edegem twee dagen vrijaf. Er was een plechtige stoet met 51 groepen, de fanfare én de harmonie, maar ook  de liberale harmonie van Kontich was aanwezig: Schoesetters kwam van Kontich en werd in 1912 al de “liberale kandidaat” voor de verkiezingen in Edegem genoemd.

Hij was ook voorzitter van de Fanfare Sint-Rosalia, maar door tegenwerking van bestuursleden van de fanfare bij de benoeming van een gemeentesecretaris, nam hij op tweede kerstdag 1925 ontslag als voorzitter.

In oktober 1926 wonnen “de Verenigde Katholieken” alias “Tutu” de verkiezingen. Daarmee was Schoesetters burgemeester af. Hij bleef wel mee in de leiding van de partij “Oud Edegem” tot in 1932, toen hij 67 was.

Alfons Schoesetters overleed op 10 maart 1945.

Erik Laforce, september 2018

Bronnen:

  • R. Van Passen, Geschiedenis van Edegem, Edegem, 1974.
  • F. Ringoot & L. Denewet (Red.), Molenecho’s – Verdwenen Belgische Molens.  Database van Verdwenen Molens in België (URL: http://www.molenechos.org/ )
  • NN., Mutatieschetsen van het kadaster 1913, FOD Financiën, Patrimonium­documentatie, Administratie Opmetingen en Waarderingen, Centrum Mutaties en Waarderingen Antwerpen, Italiëlei 4.
  • Rijksarchief Antwerpen,  Hedendaags Gemeente Archief Edegem. Leggers van het kadaster. Deel 2. Inventarisnummer P036-58
  • Fr. Hellemans, Een oude molen, een nieuwe straatnaam: VRIJSEL. Informatieblad van de gemeente Kontich, januari 2016.

Ode aan Brialmont

In haar masterproef[i] over de Antwerpse fortengordel gaf Mieke Nagels ons enig inzicht over de manier waarop Brialmont de fortengordel ontwierp. Wat zij schreef over de historiek en de strategie die eraan te pas kwam, was mij al bekend. Toch waren er enkele nieuwe inzichten die ook interessant zijn voor de Historische Gidsen van Erfgoed Edegem. Ik tracht hiermee te bewijzen dat Brialmont een strateeg was met een visie op de toekomst.

Even ter herinnering. Het doel van de fortengordel was tweeërlei. (1) Antwerpen moest een bolwerk worden tegen de Franse agressie. Een bolwerk dat een belegering kon doorstaan tot er (buitenlandse) hulp kwam opdagen. (2) Om de stad te vrijwaren van vijandelijk geschut, moest de buitenste verdedigingslinie minstens vier kilometer van de stad verwijderd liggen. Dat was toen zo ongeveer de maximum dracht van het geschut.

Nu voegt de auteur er een derde punt aan toe. Brialmont, een uitstekend strateeg, verwachtte een aanval vanuit de richting Lier of Mechelen op Mortsel (Fort 4). Ook moest een aanval tegen de flanken kunnen gestopt worden (Forten 1 en 8). Flanken vormen nu eenmaal het zwakke punt bij een verdediging.

Brialmont vond het noodzakelijk om een fort te bouwen bij Mortsel, nabij het kruispunt van de Liersesteenweg met de toen reeds bestaande spoorweg. Fort 1 werd gepositioneerd aan de overstromingsgebieden van de Grote- en de Kleine Schijn. Fort 8 kwam aan de Schelde te liggen om vijandelijke schepen het gebruik van de stroom te ontzeggen.
De forten 1, 4 en 8 namen elk een sleutelpositie in. De andere forten dienden om deze drie forten door een gelijkmatig verlopende lijn te verbinden.

Fort 4 lag hierdoor maar op drie kilometer van de stad. Had Brialmont het fort duizend meter meer naar voor geschoven, dan waren er meer dan acht forten nodig om de gordel verdedigbaar te houden. De forten mochten immers maar twee kilometer van elkaar verwijderd liggen. Zo konden ze elkaar ondersteunen met hun vuurkracht.

Tot daar de stellingname van Mieke Nagels. Brialmont verwachtte dat Frankrijk de fortengordel zou belegeren. Het zwaartepunt van de aanval zou op Fort 4 komen te liggen. Maar om door te dringen tot in Antwerpen heeft een aanvaller een “veilige” doorgang nodig. Een ruimte waarin hij ongehinderd de doorgestoten troepen kan bevoorraden. Om dat te bereiken moet je minstens twee forten uitschakelen. En hier komt Fort 5 op de proppen.

Waarover Mieke Nagels niet spreekt, zijn de halve caponnières die de natte grachten van de forten 4 en 5 moeten verdedigen[ii]. Die zijn versterkt met een extra laag van 20 cm baksteen. Dat is uniek voor de beide kazematten. Ze komen op de andere forten niet voor. Ongetwijfeld dacht Brialmont dat, bij een aanval op Fort 4, de vijand zou trachten door te stoten in de ruimte tussen de forten 4 en 5. Om dat ongestraft te kunnen doen moest hij ook Fort 5 buiten gevecht stellen. In elk geval mogen we Fort 5 niet zomaar degraderen tot een fort van de tweede rang.

We nemen nu even het werk ter hand van de collega’s André Mens en André Van Elshocht[iii]. Ze beschrijven de val van Antwerpen in 1914.
Op 17 september 1914 bevonden de Duitsers zich rond Mechelen en begonnen aan hun tocht naar Antwerpen langs twee invalswegen. Route 1: via de N 1 door o.a. Walem en Kontich; route 2: via Lier en Duffel langs de Liersesteenweg. Beide wegen en beide legers kwamen samen in Mortsel.

Brialmont ontwierp zijn plannen in 1859. In 1914, dus maar eventjes 55 jaar later en 11 jaar na zijn dood, bleek zijn scenario nog altijd te kloppen. Het Duitse leger volgde dezelfde route die Brialmont had ingeschat bij het ontwerpen van onze fortengordel. Alleen bleken de forten in 1914 niet meer te voldoen aan de modernere oorlogsvoering. Maar dat was niet de fout van Brialmont.

Pierre Hens
3 augustus 2018


Bron afbeelding: Wikimedia

[i] Nagels Mieke, De Antwerpse Fortengordel – de Brialmontforten als onzichtbare potentie van de periferie, vakgroep Architectuur en Stedenbouw, Academiejaar 2011-2012.

[ii] De rechtse halve caponnière van Fort 4 en linkse halve caponnière van Fort 5.

[iii] Mens André, Van Elshocht André, Bezetten, vereren en fusilleren, Deel 1, p. 46.